Aartsbisdom Utrecht (rooms-katholieke Kerk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Gebied van het bisdom Utrecht

Het aartsbisdom Utrecht is een van de zeven bisdommen van de Nederlandse kerkprovincie. Het aartsbisdom Utrecht is het aartsbisdom waarover de rooms-katholieke aartsbisschop van Utrecht geestelijk leiderschap heeft. Het wordt ook wel het Sticht genoemd. De aartsbisschop van Utrecht staat als metropoliet aan het hoofd van de Nederlandse kerkprovincie. De metropolitane kathedraal van het aartsbisdom Utrecht was tot 1580 de Dom van Utrecht die toegewijd was aan Sint-Martinus. Sinds 1853 (herstel van de bisschoppelijke hiërarchie)) is het de Sint-Catharinakathedraal aan de Lange Nieuwstraat te Utrecht. Sinds 1945 is de aartsbisschop van Utrecht steeds ook tot kardinaal benoemd. Huidig aartsbisschop van Utrecht is Wim Eijk[1]. Het Ariënskonvikt is de priesteropleiding van het aartsbisdom en Op Tocht is het maandblad van het bisdom.

Inhoud

[bewerken] Kerncijfers van het aartsbisdom Utrecht voor het jaar 2006[2] [3]

In het jaar 2006 maakte het katholieke volksdeel met circa 766.000 kerkelijk geregistreerde gelovigen 19,5 % van de totale bevolking van het aartbisdom uit, 0,2 % minder dan een jaar eerder. Iedere zondag bezochten gemiddeld 34.155 mensen de kerk, dat is 0,9 percent van de totale bevolking van het aartsbisdom.

Recentere cijfers zijn niet beschikbaar voor het aartsbisdom, de kerncijfers voor de jaren 2007 en 2008 zijn in tegenstelling tot voorgaande jaren niet openbaar gemaakt. Alhoewel wel bekend is gemaakt door het KASKI - de organisatie die de ledenstatistieken voor de RK Kerk bijhoudt - dat het aantal katholieken en het aantal kerkgangers in Nederland verder is afgenomen. Voor sommige zuidelijke bisdommen zijn wel wel (een aantal) kerncijfers bekend gemaakt.

[bewerken] Geschiedenis

1rightarrow.png Voor hoofdartikel over de geschiedenis van het prinsbisdom zie Sticht Utrecht

De eerste bisschop van Utrecht was Willibrord, vanaf 703. Deze was reeds aartsbisschop van de Friezen.

Een belangrijke bron voor de vroege geschiedenis van het bisdom is de brief die Bonifatius in 753 aan paus Stephanus II stuurde [4][5]. Bonifatius was op dat moment bisschop van Mainz. In de brief schrijft hij dat Willibrord door paus Sergius I tot bisschop te Utrecht was benoemd om de heidense Friezen te bekeren. Willibrord had de heidense heiligdommen verwoest en het grootste deel der Friezen bekeerd. Ook had hij in het voormalige castellum Traiectum (Utrecht) de Sint-Salvatorkerk gesticht en een oud, door de heidenen verwoest kerkje herbouwd en het aan Sint-Maarten gewijd (thans de Dom van Utrecht). Willibrord had aan het eind van zijn leven een koorbisschop aangesteld om in zijn naam het bisdom te leiden. Na Willibrords overlijden had Karloman (hofmeier van het Merovingische rijk tussen 741-747), aan Bonifatius opgedragen in Utrecht een bisschop aan te stellen, wat hij had gedaan. In 753 was de bisschopszetel van Utrecht echter een twistappel tussen Bonifatius en de bisschop van Keulen geworden. In zijn brief legt Bonifatius uit dat Keulen Utrecht namelijk als suffragaanbisdom van Keulen beschouwde op grond van een schenking door koning Dagobert. Keulen zou het castellum met het eerder genoemde kerkje in eigendom hebben gekregen, mits het de Friezen zou kerstenen. Bonifatius betoogde echter dat Keulen niets aan deze missionering had gedaan en de schenking dus vervallen was. Bonifatius toog vervolgens zelf naar de Friese Oostergouw om daar de bekering voort te zetten en kwam daarbij in 754 met zijn gevolg om het leven.

Karel de Grote reorganiseerde begin 9e eeuw de kerkelijke indeling van het land. Tussen deze tijd en 1559 behoorde zowat heel Nederland boven de grote rivieren en Zeeland tot dit bisdom, uitgezonderd het grootste deel van Groningen, een klein stukje Friesland en oostelijk Gelderland die tot het bisdom Münster behoorden. Het bisdom zelf was ingedeeld bij het aartsbisdom Keulen. Utrecht was in die tijd ook een prinsbisdom, dat wil zeggen dat de prins-bisschop ook heerlijke rechten had en dus ook wereldlijke macht. Deze oefende hij uit over Nedersticht en het Oversticht.

Na de herindeling van de bisdommen in 1559 onder Filips II, onder invloed van de politieke situatie (zie Bourgondische Kreits), werd Utrecht verheven tot aartsbisdom. Het gebied dat voortaan tot het aartsbisdom behoorde viel grosso modo samen met Utrecht, Zuid-Holland en een deel van Gelre. Nieuwe suffragaanbisdommen uit het voormalige terrein van het bisdom Utrecht waren Deventer, Haarlem, Leeuwarden, Groningen en Middelburg.

Deze situatie duurde tot 1580, toen de uitoefening van het katholicisme in de stad Utrecht verboden werd. Het aartsbisdom Utrecht hield daarmee de facto op te bestaan, al benoemde Filips II nog tweemaal een nieuwe aartsbisschop. Utrecht en Nederland zou bijna drie eeuwen geen bisschoppen meer hebben. Het openlijk beleven van het katholiek geloof was min of meer verboden. De Republiek gold als een missiegebied, waar een apostolisch vicaris in partibus infidelium het bestuur voerde. In april 1723 vond het oudkatholieke schisma plaats.

[bewerken] Periode na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853)

De grondwet van 1848 maakte het weer mogelijk om het katholiek geloof in vrijheid te belijden en stond de heroprichting van bisdommen toe. Het aartsbisdom Utrecht werd door Paus Pius IX hersteld in 1853 bij de herinvoering van de katholieke hiërarchie. Het jurisdictiegebied omvat Gelderland boven de Waal, Utrecht, een deel van Flevoland, Overijssel. Tot 1956 behoorde ook het gebied van het huidige bisdom Groningen-Leeuwarden tot het aartsbisdom.

Van 1859 tot 1901 werd de Sint-Catharinakathdraal door het atelier van Mengelberg in neogotische stijl versierd en in 1900 werd het schip met één travee naar het westen toe verlengd. De nieuwe westpartij kreeg bovendien een 53 meter hoge toren. Van 1955 tot 1965 werd de kathedraal gerestaureerd en werden de meeste neogotische elementen terug verwijderd. De waardering voor de neogotiek is sindsdien terug gegroeid zodat in 2003 de veertien kruiswegstaties van Mengelberg uit 1898 terug in de kerk werden geplaatst.

[bewerken] Periode na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965)

Voor de priesteropleiding van het aartsbisdom richtte kardinaal Willebrands in 1979 het Ariënskonvikt op. E.H. Rentinck werd er de eerste rector van. In oktober 2008 herstelde het aartsbisdom de banden met de Sint-Willibrordkerk in Utrecht en werd deze kerk aangewezen als rectoraatskerk onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging voor Latijnse Liturgie[6][7].

Net zoals in de andere (noordelijke) bisdommen, moest door de nog steeds toenemende ontkerstening in Nederland, het aartsbisdom verscheidene keren gereorganiseerd worden als gevolg van onder andere het teruglopende aantal kerkleden en het tekort aan priesters. In 1993-1995 werd in het Aartsbisdom Utrecht onder leiding van kardinaal Simonis een reorganisatie afgerond waarbij het aantal dekenaten werd teruggebracht van 23 tot 9. Binnen 10 jaar gevolgd door een tweede reoganisatie, sinds 2005 was het Aartsbisdom Utrecht opgedeeld in vijf dekenaten: dekenaat Arnhem, dekenaat Gelderland-Oost, dekenaat IJssellanden, dekenaat Twente en dekenaat Utrecht. Door de slechte financiële situatie is reeds na 3 jaar besloten om wederom te reorganiseren en is in mei 2008 besloten om ook deze laatste 5 dekenaten op te heffen, en dit per begin 2009.

Ook het aantal parochies is afgenomen. Volgens eerder voorspellingen van het KASKI zou bijna de helft van aantal nog bestaande parochies gesloten moeten worden over een periode van tien jaar[bron?]. Echter bij de benoeming van aartsbisschop Eijk in januari 2008 bleek dat de penibele financiële situatie van het aartsbisdom het noodzakelijk maakt om de 316 parochies in het aartsbisdom op te laten gaan in 45 parochieverbanden in een periode van vijf jaar.

Anno 2009 leeft er binnen verschillende parochies zeer veel onvrede over de reorganisatie en de manier waarop dit gaat, "De dictatuur van bisschop Van Eijck is wet," aldus een parochiaan. Er heerst vooral onvrede over het besluit van het bisdom om kerkbestuurders die de gedwongen parochies fusies niet zien zitten uit hun functie te zetten [8].

[bewerken] Bisschoppen van het aartsbisdom sinds het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie

1rightarrow.png Voor de bisschoppen tot 1853 zie de Lijst van bisschoppen van Utrecht
  1. Joannes Zwijsen (1853-1868)
  2. Andreas Ignatius Schaepman (1868-1883)
  3. Petrus Matthias Snickers (1883-1895)
    1. Henricus van de Wetering, coadjutor (1895)
  4. Henricus van de Wetering (1895-1930)
  5. Johannes Jansen (1930-1936)
    1. Johannes de Jong, coadjutor (1935-1936)
  6. Johannes de Jong (1936-1955)
    1. Bernardus Johannes Alfrink, coadjutor (1951-1955)
  7. Bernardus Johannes Alfrink (1955-1976)
    1. Theo Hendriksen, hulpbisschop (1961-1969)
  8. Johannes Gerardus Maria Willebrands (1976-1983)
    1. Johannes Bernardus Niënhaus, hulpbisschop (1982-1999)
    2. Johannes Antonius de Kok O.F.M., hulpbisschop (1982-2005)
    3. Adrianus Simonis, coadjutor (1983)
  9. Adrianus Simonis (1983-2007)
    1. Gerard de Korte, hulpbisschop (2001-2008)
  10. Willem Jacobus Eijk (vanaf 2008)

Op de begraafplaats St. Barbara bevinden zich de laatste rustplaatsen van de kardinalen Jan de Jong, Bernard Alfrink en Jo Willebrands, aartsbisschoppen van Utrecht.

[bewerken] Externe links


[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

Persoonlijke instellingen