Cornelis de Graeff
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Cornelis de Graeff (Amsterdam, 15 oktober 1599 - aldaar, 4 mei 1664) was een Amsterdamse burgemeester in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Graeff was een lid van het Amsterdamse geslacht De Graeff dat, samen met het aan hen verzwagerde geslacht Bicker, op het hoogtepunt van de Gouden eeuw gedurende vijftig jaar het bestuur over de stad Amsterdam voor een belangrijk deel bepaalde. Door deze machtsbasis hadden zij ook in het gewest Holland en daardoor ook in de Republiek een belangrijke vinger in de pap.[3] De Graeff maakte deel uit van een factie die na de plotselinge dood van stadhouder Willem II, vanaf het midden van de 17de eeuw de financiën en politiek in de Republiek bepaalde. Hij werkte als schepen van Amsterdam nauw samen met zijn broer Andries de Graeff en met zijn oomzegger, de raadspensionaris Johan de Witt. Hij was een tegenstander van de Oranjes, maar gematigder dan zijn republikeinse voorganger Andries Bicker. Door een complicatie bij de geboorte bezat De Graeff een verkorte linkerarm, op het portret, geschilderd door Pickenoy, duidelijk te zien. In de zomer bewoonde De Graeff Huis Ilpenstein, aan de rand van de Purmer, niet ver van Ilpendam. Van het afgebroken kasteel is niet veel meer te zien.
[bewerken] JeugdDe Graeff, zoon van Jacob Dircksz de Graeff en Aeltje Boelens Loen, groeide op in het huis ‘de Keyzershoed’ in de Niezel, niet ver van de Oude Kerk. In 1618 werd zijn vader door stadhouder Maurits uit de vroedschap gezet, hetgeen ook de opstelling van zijn zoon zou beheersen. In 1626 maakte De Graeff samen met zijn broer Dirk en Willem Nooms, heer van Aarlanderveen een grand tour. Hij bezocht Hugo de Groot, die in Parijs ambassadeur van Zweden was en verbleef vervolgens in Orleans, Blois, Nantes, La Rochelle en Poitiers. De Graeff keerde in 1628 naar Amsterdam terug en trad vervolgens toe tot de handelsfirma. [bewerken] Huwelijk en familieDe Graeff trouwde in 1633 met de dochter van burgemeester Volckert Overlander, Geertruid, die al na enkele maanden stierf. Vervolgens huwde De Graeff de negentien jaar jongere Catharina Hooft en amper 17. Uit dit huwelijk werden Pieter de Graeff en zijn jongere broer Jacob geboren. Het echtpaar bewoonde een pand versierd met kostbaar houtwerk, niet ver van het stadhuis, tegenwoordig Herengracht 216 (Tassenmuseum Hendrikje). Van zijn vijf broers en zussen waren er vier getrouwd met een Bicker, eveneens afkomstig uit de Lange Niezel. Rond 1650 stichtte De Graeff een buiten, nu bekend als Paleis Soestdijk. De Graeff is in de jaren 1655-1660 druk bezig, zo blijkt uit zijn te Soestdijk geschreven brieven aan de Staten-Generaal en Johan de Witt, met de opvoeding van Willem III van Oranje-Nassau. De hofstede en de omringende landerijen werden in 1674 door zijn zoon Jacob verkocht aan stadhouder Willem III, vroeger kind aan huis. De Graeff en zijn jongere broer Andries - na zijn dood zijn opvolger als burgemeester - hielden zich bezig met met kunst en genealogie en maakten veel werk van hun afstamming. De broodschrijver Joost van den Vondel huldigde De Graeff met het samenstellen van een boekje.[4]
Officieren en andere schutters van wijk V in Amsterdam onder leiding van kaptein Cornelis de Graeff en luitenant Hendrick Lauwrensz door Jacob Adriaensz Backer (1642), Rijksmuseum Amsterdam
[bewerken] CarrièreCornelis de Graeff begon als kapitein bij de schutterij. Zijn compagnie is in 1642 geschilderd door Jacob Adriaensz Backer, te zien in het Rijksmuseum. In 1639 werd hij lid van de vroedschap en President-bewindhebber van de VOC,[5] Tussen 1643 en 1662 was hij tien maal burgemeester: vier maal magnificus (= presiderend burgemeester met een doorslaggevende stem) ten tijde van het Eerste Stadhouderloos Tijdperk. De Graeff steunde samen met Andries Bicker, Cornelis en Jacob de Witt de Vrede van Munster en diende in mei 1650 een voorstel in om overbodige troepen af te danken. Na de mislukte aanval op Amsterdam in 1650 kreeg De Graeff van stadhouder Willem II van Oranje te horen dat Andries en Cornelis Bicker uit de vroedschap moesten. In 1648 was De Graeff één van de krachten achter de bouw van een nieuw stadhuis op de Dam, dat in 1655 werd ingewijd. De Graeffs Jacob legde samen met Gerbrand Pancras, Sybrant Valckenier en Pieter Schaep de eerste steen.[6] Ter herinnering aan deze gebeurtenis vervaardigde de zilversmid Johannes Lutma een zilveren troffel [7] [8] thans in het Rijksmuseum.[9] [bewerken] De Graeff en Johan de Witt
"Blaeus Toonneel der Steden" - kaart van Amsterdam (1652), ten tijde van het burgemeesterschap van Cornelis de Graeff
In 1653 werd zijn aangetrouwde neef Johan de Witt tot raadpensionaris van Holland gekozen. Deze benoeming kon alleen geschieden met de nadrukkelijke instemming van Amsterdam, dat onder leiding stond van De Graeff. De samenwerking tussen de twee politici was een belangrijke factor in het succes van De Witts politiek en de herleving van de economie na de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog. De Witt erkende de macht van zijn oom, en deed zijn best om aan de Amsterdamse wensen tegemoet te komen. Dat sloot overigens geschillen tussen de twee niet uit, waarbij De Witt accepteerde dat De Graeff en de stad Amsterdam eigenmachtig admiraal Michiel de Ruyter op de Engelsen afstuurden.[bron?] De Staten-Generaal gaf vervolgens een tegenbevel. Ondanks deze verschillen in aanpak met De Witt bleef de verstandhouding tussen hem en De Graeff uitstekend. [bewerken] De Graeff als voogd van Willem III van OranjeOndanks de Acte van Seclusie genoot De Graeff het vertrouwen van de Oranjes. Maria Henriëtte Stuart vertrouwde hem het voogdijschap over haar zoon prins Willem III toe. [10] In 1660 werd De Graeff samen met De Witt en Gillis Valckenier voogd van Willem, het kind van staat. De prins speelde samen met De Graeffs zonen Jacob en Pieter in het huis aan de dijk naar Soest (het latere paleis Soestdijk). [11] [bewerken] Zweeds-Poolse oorlogAmsterdam onder De Graeff was op het hoogtepunt van zijn macht en bewerkstelligde in 1656 een expeditie van Michiel de Ruyter naar de Middellandse Zee en in de oorlog van Karel X Gustaaf van Zweden tegen Polen, een expeditie geleid door Jacob van Wassenaer Obdam naar de Oostzee. Het gunstige gevolg was dat Dantzig neutraal werd verklaard in een verdrag tussen de Grote Keurvorst en de Republiek. Zweden weigerde de neutraliteit te erkennen en Cornelis de Graeff en Johan Huydecoper van Maarsseveen besloten vervolgens Coenraad van Beuningen naar Kopenhagen te zenden om Denemarken tot een oorlog tegen Zweden te bewegen. Tot ieders verbazing trok de Zweedse koning midden in de winter vanuit Jutland over de bevroren Grote Belt naar Kopenhagen. In een tweede expeditie om Kopenhagen te ontzetten kwam admiraal Witte de With in de Slag in de Sont om het leven. Amsterdam was bereid om de strijd tegen Zweden door te zetten, tegen de zin van raadpensionaris. Zweden sloot vrede toen Karel X in 1660 onverwacht stierf. [bewerken] De Graeff en de kunst en wetenschappen
Cornelis de Graeff te Soestdijk. (Cornelis de Graeff, zijn echtgenote Catharina Hooft en hun zonen Pieter en Jacob de Graeff, de staande figuren zijn v.l.n.r. Willem Schrijver, Pieter Trip en Andries de Graeff.) Het Landschap is aan Jacob van Ruisdael toegeschreven, en het portretten aan Thomas de Keyser, tussen 1656 en 1660, (National Gallery of Ireland)
Jan Victors schilderde 1652 een portret van De Graeff, zijn vrouw en hun kinderen, uitgebeeld als de aartsvader Izaäk en Rebekka. Hij was de beschermheer van de dichters Vondel en Jan Vos. In 1659 kreeg Govert Flinck van hem de opdracht acht schilderijen voor het stadhuis te leveren. De opdracht werd opnieuw verdeeld, na de plotselinge dood van Flinck, onder Jan Lievens, Jordaens, Rembrandt, Jurriaen Ovens en Jacob van Ruisdael.[12] In 1660 organiseerden de burgemeesters De Graeff en enkele regenten na de dood van Jan en Gerrit Reynst een geschenk aan koning Karel II van Engeland, bekend staand als the Dutch Gift, waaronder een schilderij van Pieter Jansz. Saenredam, afkomstig van De Graeff.[13] In 1662 was hij, samen met Cornelis Jan Witsen, Henrick Hooft en Cornelis van Outshoorn betrokken bij de afwijzing van het schilderij De Samenzwering van Claudius Civilis door Rembrandt van Rijn. Het werd vervangen door een schilderij van Flinck, dat door Ovens werd afgeschilderd. De Graeff was niet alleen in levende talen (bedreven), maar ook in Griekse, Heebreeuwse, Chaldeeuwsche, Syrische en Arabische talen. Hoewel hij leefde in een door religie overheerste tijd, bezocht hij nooit anders dan ambtshalve een kerkdienst. Dat de Nieuwe Kerk geen toren kreeg, is waarschijnlijk zijn invloed geweest. [bewerken] ConclusieIn zijn Geschiedenis van Amsterdam roemt Hajo Brugmans De Graeff vooral vanwege zijn tact, inventiviteit en de geslaagde samenwerking met Johan de Witt, vanaf 1653 de raadspensionaris van de republiek. De Graeff communiceerde zacht en voorbeeldig; hij was eerlijk en open, een novum voor de republiek. De Graeffs houding leidde ertoe dat De Witt de Amsterdamse belangen naar vermogen bevorderde. Ook heeft De Graeff zaken nooit op de spits gedreven. Hij had ook oog voor de belangen van de andere Hollandse steden en vermeed een machtspolitiek, die Amsterdams zou hebben geïsoleerd. Brugmans wijst erop dat De Graeff vrijwel al zijn bestuurlijke en politieke doelen heeft bereikt. Op één punt echter wijst hij met nadruk: het is De Graeff (noch overigens enig ander Amsterdams politicus) ooit gelukt om een raadspensionaris benoemd te krijgen die geheel aan de Amsterdamse wensen voldeed; ook de in 1651 benoemde Adriaan Pauw was dat niet. [bewerken] Trivia
Bronnen, noten en/of referenties:
Voetnoten:
Literatuur
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||